De overgang van de jaren zeventig naar de jaren tachtig bracht in de westerse wereld veel opzichten een fundamentele verandering teweeg. Onder leiding van centrumrechts georiënteerde regeringen werden er beleidsmaatregelen ingevoerd die gericht waren op het terugdringen van de overheidsuitgaven, het beperken van de sociale voorzieningen en het herstel van de economie door marktgerichte oplossingen. Geen wonder dat de jaren tachtig vaak gezien worden als een decennium met een duidelijk rechtse signatuur.

Toch is die rechtse dominantie volgens sommige historici slechts één kant van het verhaal. De opkomst van het marktconforme denken en de afbouw van de verzorgingsstaat gingen namelijk hand in hand met een blijvende invloed van progressieve bewegingen op het sociaal-culturele vlak. Terwijl rechts electorale successen boekte, bleef links volgens de Britse historici Jonathan Davis en Rohan Mc.Williams in het Verenigd Koninkrijk voor een groot deel de sociaal-culturele agenda bepalen.[1] Het accent verschoof daarbij, ook elders in de wereld, in toenemende mate van socialistische ideologieën naar humanitarisme en mensenrechten.[2]

Zittende demonstratie op het Binnenhof van Koerden uit solidariteit met de hongerstaking van 2.000 politieke gevangenen, 21 september 1983. Foto: Marcel Antonisse, Nationaal Archief / Anefo

Mensenrechten groeiden uit tot de kritische norm van een goede sociale en politieke orde met universele geldigheid. Ze werden een sleutelbegrip in de westerse wereldordening.[3] Op binnenlands-politiek gebied kwam dit tot uitdrukking in een blijvende aandacht voor onderwerpen zoals de vrijheids- en gelijkheidsrechten voor vrouwen, homoseksuelen en andere minderheden. Ook in de buitenlandse politiek kregen de bescherming en bevordering van mensenrechten een vaste plek in het beleid.

Op dit gebied leek er eerder sprake van continuïteit tussen de jaren zeventig en tachtig dan van een omslag of breuk. De aandacht voor mensenrechten als onderdeel van het buitenlandse beleid vond namelijk zijn oorsprong in de jaren zeventig, toen de rechten van de mens steeds belangrijker werden als richtlijn en agenda voor wereldverbetering. Voor linkse activisten vormden mensenrechten een werkbaar alternatief voor socialistische idealen, die door de internationale economische crises steeds minder haalbaar leken.[4] Tegelijkertijd bevorderde het politiek neutrale karakter van mensenrechten een brede acceptatie: zowel linkse als rechtse partijen konden zich ermee identificeren. Het concept sloot bovendien goed aan bij de tijdgeest waarin de verhouding tussen het individu en het collectief verschoof ten gunste van het individu.[5]

Het jaar 1977 markeerde volgens de Amerikaanse historicus de doorbraak van de mensenrechten. Nadat de Amerikaanse president Jimmy Carter in zijn inaugurale rede had aangekondigd dat mensenrechten een belangrijk onderdeel zouden gaan vormen van zijn buitenlandse beleid, kreeg het onderwerp in de westerse wereld aantoonbaar meer aandacht.[6] Ook de Nederlandse ontwikkelingen sloten aan bij die trend: gedurende de jaren zeventig kregen mensenrechten een steeds prominentere plaats in het buitenlandse beleid, wat in 1979 resulteerde in een gedetailleerde beleidsnota die de prioriteiten en dilemma’s op dit gebied uiteenzette.[7]

De nota over de rechten van de mens in het buitenlands beleid bleef gedurende de hele jaren tachtig als leidraad dienen. Vervolgnotities uit 1987 en 1991 bevestigden dat en concludeerden zelfs dat de aandacht voor mensenrechten gedurende de jaren tachtig, zowel in Nederland als wereldwijd, alleen maar verder was toegenomen. Ook het debat tussen parlement en regering zou op dit punt intensiever zijn geworden.[8]

Figuur 1

Maar was dit laatste ook werkelijk het geval? Kwantitatief onderzoek in de begrotingsbehandelingen bevestigt de veronderstelde toename in de politieke belangstelling in ieder geval niet.

Om een beeld te krijgen van het politieke belang dat gehecht werd aan het thema mensenrechten, is allereerst geïnventariseerd hoe vaak de termen ‘mensenrechten’ en ‘rechten van de mens’ voorkomen in de Memories van Toelichting bij de begrotingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Figuur 1 laat zien dat na een piek in de periode 1971-1974 het aantal verwijzingen naar deze termen weer enigszins afneemt en stabiliseert op gemiddeld 25 referenties per 100 pagina’s. De cijfers laten dus zien dat het thema mensenrechten ook na de jaren zeventig een vaste plaats behield op de buitenlandse politieke agenda van de Nederlandse regering, maar dat er geen sprake is van een constante toename in aandacht.

Bij een nadere analyse van de periode 1983-1993 wordt zelfs een dalende trend duidelijk. Zoals te zien is in figuur 2, geldt dit niet alleen voor het aantal verwijzingen naar de termen ‘mensenrechten’ en ‘rechten van de mens’ in de Memories van Toelichting bij de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook voor het aantal keren dat deze termen werden genoemd door Kamerleden tijdens de Tweede Kamerdebatten over deze begrotingen. De bewering van de opeenvolgende kabinetten-Lubbers in de vervolgnotities, dat de aandacht voor mensenrechten in het buitenlandse beleid sinds de jaren zeventig zelfs nog zou zijn toegenomen, wordt door deze cijfers dus eerder weersproken dan bevestigd.

Figuur 2

Om inzicht te krijgen in de politieke toe-eigening van het begrip mensenrechten, is aanvullend onderzoek verricht naar de Tweede Kamerdebatten over de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de periode 1983-1993. Voor alle oneven jaren is per Kamerlid en fractie geanalyseerd hoe vaak de termen ‘mensenrechten’ en ‘rechten van de mens’ werden genoemd.

Figuur 3

Figuur 3 biedt een overzicht van het totale aantal verwijzingen naar de termen per Tweede Kamerfractie gedurende de hele onderzochte periode. Voor de overzichtelijkheid zijn de kleine orthodox-christelijke fracties (RPF, SGP en GPV) en de kleine progressieve fracties, die in 1990 fuseerden tot GroenLinks (PPR, PSP, CPN en EVP), samengenomen.

Het cirkeldiagram maakt duidelijk dat de meeste verwijzingen naar mensenrechten afkomstig zijn van fracties aan de linkerkant van het politieke spectrum, met name de PvdA en de kleine progressieve partijen. Dit is opvallend, zeker gezien hun zetelaantallen in de Tweede Kamer. De PvdA had in deze periode tussen de 47 en 52 zetels, terwijl de kleine linkse partijen gezamenlijk slechts 2 tot 8 zetels hadden.

Gezien het feit dat linkse partijen in totaal niet meer dan ruim een derde van de Kamerzetels innamen, kan hun aandeel in het debat over mensenrechten als disproportioneel groot worden beschouwd. Hoewel alle fracties aandacht besteedden aan mensenrechten in de begrotingsdebatten, lijkt de druk om dit thema op de buitenlandpolitieke agenda te houden gedurende de lange jaren tachtig voornamelijk van linkse partijen te zijn uitgegaan.

In figuur 4 zijn de cijfers uit figuur 3 uitgesplitst per jaar, waardoor de jaarlijkse trends duidelijker worden. Vooral de verandering in het aandeel referenties van de VVD en de PvdA is interessant, zeker gezien de politieke machtswisseling in 1989. de VVD verhuisde naar de oppositie, terwijl de PvdA samen met het CDA in de regering plaatsnam. In hoeverre beïnvloedde deze verschuiving de aandacht die beide fracties in het debat besteedden aan het thema mensenrechten in het buitenlands beleid?

De verdelingen in de cirkeldiagrammen wijzen, anders dan wellicht verwacht, niet op een tendens van toegenomen aandacht voor mensenrechten bij oppositievoering. Integendeel, voor zover er een patroon zichtbaar is, lijkt eerder het tegenovergestelde het geval. Vooral het grote aandeel van de PvdA in het aantal referenties aan mensenrechten in de jaren 1991 en 1993 springt daarbij in het oog. Hoopte de PvdA op dit gebied misschien als coalitiepartner meer te kunnen bereiken dan vanuit de oppositie? Of had de fractie nu ze in het kabinet compromissen moest sluiten met het CDA wellicht vooral meer behoefte zich te profileren ten opzichte van de eigen achterban?

Figuur 4

Door: Hilde Reiding, Daan Könings en Ufuk Serik

[1] Jonathan Davis en Rohan McWilliams (red.), Labour and the left in the 1980s (Manchester 2018) p. 3.

[2] Joachim C. Häberlen, Beauty is in the street. protest and counterculture in post-war Europe (Londen 2023), hfdst. 7 (e-book). Zie ook: Jonathan Davis en Rohan McWilliams (red.), Labour and the left in the 1980s (Manchester 2018) p. 15.

[3] Lutz Rafael, ‘1980er: Typische Jahre “nach dem Boom”’, Aus Politik und Zeitgeschichte 46 (2015) nr. 9, p. 11.

[4] Samuel Moyn, The last utopia: human rights in history (Cambridge 2010) p. 1, 121, 147 en 170.

[5] Samuel Moyn, The last utopia: human rights in history (Cambridge 2010) p. 155-156.

[6] Kamerstukken II 1978/79, 15571, nr. 2, 3 mei 1979. Voor de ontwikkelingen in de jaren zeventig, zie ook: De opkomst van mensenrechten – Serie Parlementaire Geschiedenis van Nederland

[7] Kamerstukken II 1986/87, 19700 V, nr. 125, 20 augustus 1987, p. 2-3; Kamerstukken II 1990/91, 21800 V, nr. 91, 3 september 1991, p. 3.

[8] Lutz Rafael, ‘1980er: Typische Jahre “nach dem Boom”’, Aus Politik und Zeitgeschichte 46 (2015) nr. 9, p. 11.