De jaarlijkse bijeenkomsten van de Inter-Governmental Group on Indonesia (IGGI) in Nederland werden aangegrepen voor protest tegen westerse hulp aan het Indonesië van president Suharto wiens regime werd bekritiseerd vanwege corruptie en mensenrechtenschendingen. IGGI was opgericht in 1967, stond onder Nederlands voorzitterschap en coördineerde de Westerse donorgelden aan Indonesië. Suharto’s Indonesië was een belangrijke bondgenoot tijdens de Koude Oorlog. Via IGGI werd maar liefst 50 miljard dollar aan steun gegeven, vooral van Amerika en Japan. In 1992 kwam er een abrupt einde aan IGGI. De directe aanleiding was het bloedig neerslaan door Indonesische veiligheidstroepen van een demonstratie op Oost-Timor op 12 november 1991 – een flagrante mensenrechtenschending. In reactie daarop kondigde Jan Pronk (PvdA) minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan de hulpgelden aan Indonesië on hold te zetten. Suharto was furieus en beschuldigde Nederland van neokoloniale inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Het Nederlandse bedrijfsleven vreesde de economische gevolgen, in het parlement kwamen de coalitiepartners PvdA en CDA tegenover elkaar te staan. Achter de schermen organiseerde Indonesië rugdekking bij grote donors zoals Japan en de Verenigde Staten. Toen die eenmaal was veiliggesteld, moest Nederland inbinden. Premier Ruud Lubbers (CDA), minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek (CDA) en minister van Onderwijs Jo Ritzen (PvdA) poogden de relatie te herstellen. Dat lukte, maar Nederland verloor zijn speciale positie als voorzitter van IGGI want deze donororganisatie werd opgeheven in 1992. In 1998 moest president Suharto zelf het veld ruimen in de context van een economische crisis en protesten tegen zijn repressieve en corrupte regime.

Protest tegen IGGI bij Van Heutsz monument, 1987. Foto: Roland Gerrits, Nationaal Archief / Anefo