De integratie van migranten kwam gedurende de eerste helft van de jaren negentig steeds prominenter op de politieke agenda te staan. Het meest in het oog springende probleem was de grote werkloosheid onder migrantengroepen. Over de vraag hoe deze kon worden aangepakt, bestonden echter uiteenlopende visies. Dit bleek wel tijdens een interpellatiedebat met minister-president Ruud Lubbers in het voorjaar van 1990.
Ten tijde van de beëdiging van het derde kabinet-Lubbers (CDA/PvdA) heerste er pessimisme over wat het ‘minderhedendossier’ werd genoemd. Dat was niet altijd zo geweest. In 1983 presenteerde het kabinet-Lubbers I nog een ambitieuze Minderhedennota, waarin het zichzelf ten doel stelde een samenleving te creëren ‘waarin de in Nederland verblijvende leden van minderheidsgroepen ieder afzonderlijk en als groep een gelijkwaardige plaats en volwaardige ontplooiingskansen hebben.’[1] In de daaropvolgende jaren toonde de realiteit zich een stuk bewerkelijker dan de opstellers van de nota hadden gedacht of gehoopt. Met name op het gebied van werkgelegenheid bleven onder migrantengroepen grote achterstanden bestaan. Terwijl de algehele werkloosheid onder ‘autochtone’ Nederlanders omstreeks 1987 ongeveer 13% was, was deze onder ‘allochtone’ meer dan 40%.[2]

De fractie van Groen Links met zittend in het midden Andrée van Es, 7 september 1989. Foto: Rob C. Croes / Anefo, via wikimediacommons.
In 1989 had de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) de noodklok geluid. Door de langdurige werkloosheid waarin veel migranten verkeerden, liepen zij het risico onderdeel te worden van een ‘etnisch subproletariaat’. De maatschappij als geheel zou hiervoor de prijs betalen, in de vorm van een toename van de criminaliteit en hoge kosten voor sociale zekerheidsvoorzieningen. Voor de toekomst van een multiculturele samenleving betekende het weinig goeds.[3]
Van Es versus Lubbers
Het was in deze context dat premier Ruud Lubbers zich op 25 maart door de IKON op de radio liet interviewen over het minderhedenbeleid. Hij hield een pleidooi voor een ‘minder softe benadering’: ‘Minderhedenbeleid als zorgbeleid (…) is ontoereikend.’ Migranten zouden er te passief door zijn geworden. Hij geloofde dat ‘het systeem van de verzorgingsstaat (…) door mensen uit andere culturen vaak verkeerd geïnterpreteerd werd’. Lubbers: ‘Dat was niet hun fout, dat was de onze. [Migranten] begrepen het niet. Die zeiden: je werkt om een boterham te verdienen en als je die boterham van een ander krijgt, dan hoef je natuurlijk niet te werken.’[4]

Minister-president Ruud Lubbers tijdens de regeringsverklaring van het kabinet-Lubbers II, 30 juli 1986. Foto: Rob C. Croes / Anefo, via wikimediacommons
De uitspraken schoten bij Andrée van Es, lid van de nieuwe Groen Links-Tweede Kamerfractie, in het verkeerde keelgat. Zij kreeg steun van de Kamer voor een interpellatiedebat. De premier had ‘onheldere en daardoor ook wel suggestieve dingen’ gezegd, zo meende ze, en onterecht de indruk had gewekt dat migranten ‘in de watten waren gelegd’. De confrontatie tussen Van Es en Lubbers illustreerde dat er twee benaderingswijzen om voorrang vochten in de discussie over de werkloosheid onder immigranten.
Aan de ene kant stonden progressieve politici van Groen Links, PvdA en D66 die de oorzaak van de problemen vooral zochten bij directe en indirecte discriminatie door werkgevers. Van Es was een van deze politici: volgens haar negeerde Lubbers het gegeven dat ‘een Marokkaans meisje van 17 jaar met een lagere beroepsopleiding’ minder kansen had om een baan te vinden dan ‘even oude Friese boerendochter met precies dezelfde opleiding’. Vanuit deze analyse kon de problematiek het beste worden bestreden door werkgevers te dwingen om meer mensen met een migratieachtergrond in dienst te nemen.[5]
Aan de andere kant stonden er politici van CDA en VVD die de oorzaak voor het grootste deel bij de migrantengroepen zelf zochten. Mensen met een migratieachtergrond moesten kansen krijgen aangereikt om zich aan te passen aan de eisen van arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via extra scholings- en vormingsvoorzieningen. Dit was ook het perspectief van Lubbers en van zijn derde kabinet. In reactie op Van Es zei hij tijdens het interpellatiedebat dat zijn uitspraken niet ‘denigrerend bedoeld’ waren geweest. Ook ontkende hij dat hij had bedoeld dat ‘het allemaal door de allochtonen komt’. Wél had hij erop willen wijzen dat het opkomen voor mensen in achterstandsituaties – zowel immigranten als niet-immigranten – alleen zin had ‘als die mensen daarbij ook aangesproken kunnen worden op hun eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden’.[6]
‘Een grote, grijze gehaktbal’
Tijdens het interpellatiedebat kwamen ze er niet uit, maar uiteindelijk zou de partij van Van Es een belangrijke slag winnen. Gaandeweg klonk in de Tweede Kamer steeds luider de roep om werkgevers wettelijk te dwingen om migranten in dienst te nemen. Het kabinet stelde zijn vertrouwen echter in de sociale partners, die in 1990 in de Stichting van de Arbeid een akkoord sloten: binnen vijf jaar zouden er zestigduizend migranten aan het werk zijn geholpen. Doordat de VVD zich in 1991 aansloot bij de voorstanders van wetgeving, kreeg het perspectief van Van Es voor het eerst een parlementaire meerderheid. Als liberale ondernemerspartij was de VVD in principe niet voor extra regels voor werkgevers, maar volgens woordvoerder Hans Dijkstal was het noodzakelijk geworden: ‘[Discriminatie] is nu eenmaal een algemeen maatschappelijk vraagstuk. En wie beweert dat iedereen discrimineert, behalve het bedrijfsleven, leeft in een andere wereld dan ik.’ In de sociale partners had hij weinig fiducie: het stichtingsakkoord noemde hij ‘een grote, grijze gehaktbal’.[7]
Met VVD en D66 diende Groen Links een initiatiefwetvoorstel in dat bedrijven en organisaties verplichtte om openbaar te rapporteren over het aantal migranten dat zij in dienst hadden en hun pogingen om dat aantal te vergroten.[8] CDA was tegen en steunde het kabinet, dat het Nederlandse bedrijfsleven niet voor het blok wilde zetten.[9] Dankzij steun van coalitiepartij PvdA haalde het voorstel van de oppositie uiteindelijk toch een meerderheid.[10]
