Op 28 november 1985 interpelleerde PSP-Kamerlid Andrée van Es de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken – respectievelijk de VVD’er Frits Korthals Altes en zijn partijgenoot Koos Rietkerk – over de dood van de 23-jarige kraker Hans Kok in een cel van het hoofdbureau van de Amsterdamse politie aan de Elandsgracht. Aanleiding was de publicatie op 18 november van de samenvatting van het onderzoeksrapport van de rijksrecherche naar de dood van Kok.[1] Die samenvatting – een uittreksel van anderhalf A4’tje – riep meer vragen op dan ze beantwoordde. Het was bijvoorbeeld niet duidelijk of er verband bestond tussen overtredingen door de politie van haar eigen ‘huishoudelijk reglement’ en de dood van Kok. ‘Was betrokkene te redden geweest als hij niet 14 uur aan zijn lot was overgelaten in een cel, zonder enige voorziening?’, wilde Van Es weten. Daarom had zij op 20 november een interpellatieverzoek ingediend.[2]

Demonstranten herdenken het feit dat Hans Kok een jaar geleden in een politiecel overleed, 25 oktober 1986. Foto: Roland Gerrits, Nationaal Archief / Anefo

Kok was op 24 oktober opgepakt bij de ontruiming van een kraakpand in de Staatsliedenbuurt. Hij werd beschuldigd van openlijke geweldpleging en in verzekering gesteld. Nadat arrestantenbewaarders hem de volgende middag dood in zijn cel hadden aangetroffen brak er paniek uit bij het gemeentebestuur en de politie. Zij vreesden een escalatie van de jarenlange strijd met de kraakbeweging.[3] Vier uur later – na een voorlopige eerste sectie – belegde de politie snel een persconferentie om te voorkomen dat de vlam in de pan zou slaan. Plaatsvervangend korpschef Van Ingen toonde zich vooral opgelucht dat het lichaam geen ‘tekenen van uitwendig geweldgebruik’ vertoonde – er waren bij de ontruiming immers rake klappen uitgedeeld. ’s Ochtends vroeg had de arrestant gewoon zijn ontbijt gehad en daarna hadden de bewaarders hem bij routinecontroles door het luikje van de cel in een rustige slaaphouding zien liggen, aldus Van Ingen. Hij voegde daar nog aan toe dat de overleden kraker bij het wijkcentrum bekend stond als methadongebruiker. De volgende ochtend kopte de Volkskrant dan ook: ‘Verslaafd aan hard drugs. Na rellen opgepakte man overlijdt in cel.’[4]

Krakers trekken op van de Staatsliedenbuurt naar het hoofdbureau van politie en eisen een onafhankelijk onderzoek naar de dood van Hans Kok, 18 november 1985. Foto: Rob Bogaerts, Nationaal Archief / Anefo

Onder grote druk verrichtte de rijksrecherche meteen een bliksemonderzoek waarvan de belangrijkste conclusie luidde dat er geen redelijk vermoeden bestond dat een of meer personen zich schuldig hadden gemaakt aan een strafbaar feit – het aangrijpingspunt voor een eventueel gerechtelijk vooronderzoek. Er waren volgens het OM nog wel onbeantwoorde vragen, maar die zouden alleen van belang zijn voor een disciplinair onderzoek naar de gang van zaken bij de Amsterdamse politie.[5] Het zeer korte persbericht hierover vormde de aanleiding van het verzoek van Van Es. De doodsoorzaak was niet duidelijk vastgesteld en het precieze tijdstip van overlijden was onbekend. Vast stond dat Hans Kok – zijn naam was op 2 november vrij gegeven – geen ontbijt had gehad (dat bleek uit de autopsie en was dus in tegenspraak met eerdere verklaringen), dat velen in het cellencomplex moeten hebben gezien dat zijn toestand ernstig was, dat hij geen matras of dekens in zijn koude cel had gekregen en dat er daarna veertien uur niet naar hem was omgekeken.

CDA-woordvoerder Van der Burg was bereid de interpellatie toe te staan als de PSP volhardde. De CDA-fractie had er zelf geen behoefte aan en wachtte liever op de uitkomst van het onderzoek dat B&W van Amsterdam had aangekondigd naar het functioneren van de bewaarders – die elkaar tegenspraken – en de GGD-arts die Kok vroeg in de avond had bezocht. PvdA-woordvoerder Kosto had schriftelijke vragen willen stellen, maar stuitte op ‘een bij de griffie gedeponeerde “claim” op een interpellatie’ van de PSP. Hij steunde het verzoek, maar drong tegelijk aan op het openbaar maken van het geanonimiseerde rechercherapport – conform de Wet openbaarheid van bestuur – vóór het interpellatiedebat. De Kamervoorzitter zegde Kosto toe dat hij daarop bij Korthals Altes zou aandringen.[6]

Van Es had elf vragen opgesteld die zij op 28 november aan Korthals Altes en Rietkerk voorlegde. Naast vragen over vaagheden en tegenstrijdigheden, informeerde zij ook naar de temperatuur in de cel, de wijze waarop medische gegevens bij de politie terecht waren gekomen en naar buiten waren gebracht zonder dat de familie daarvan wist en het gebruik van stereotyperingen als kraker en druggebruiker.[7] Drie dagen voor het debat had de Kamer de beschikking gekregen over een verkorte en geanonimiseerde versie van het rechercherapport.[8] Uit het debat en later openbaar geworden stukken blijkt dat dit heel wat voeten in de aarde had. Het Amsterdamse gemeentebestuur, de advocaat van de vader van Kok, de Tweede Kamer en de minister hadden de druk op het OM stevig moeten opvoeren. Dat resulteerde in zelden vertoonde openheid in een vervolgingskwestie. De minister moest het beleid van het OM immers wel voor zijn politieke verantwoordelijkheid kunnen nemen.[9] 

Van Es kwalificeerde het optreden van het OM als ‘nonchalant, onzorgvuldig en laks’. Niet alle getuigen waren gehoord en er waren tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De vele vragen rechtvaardigden een nieuw onderzoek, maar het OM leek niet de juiste instantie: ‘Er moet een gerechtelijk vooronderzoek komen. Insluiting van mensen door de overheid betekent maximale machtsuitoefening van die overheid over burgers. Daar past niets anders bij dan het onverkort respecteren en handhaven van rechten van arrestanten.’[10]

Korthals Altes noemde het ‘een ernstige fout’ dat er geen matras en dekens waren uitgereikt. Er waren ook andere fouten gemaakt en de noodzaak van een disciplinair onderzoek stond wel vast. Dat was echter geen zaak van het OM, maar van de korpsbeheerder, burgemeester Van Thijn – en die had intussen tot zo’n onderzoek besloten. Daarnaast kon van strafrechtelijk onderzoek alleen sprake zijn bij een vermoeden van een strafbaar feit. De minister ging uitvoerig in op alle delictsomschrijvingen die toepasbaar zouden kunnen zijn en concludeerde: ‘Zover zijn wij op het ogenblik nog niet.’ Hij erkende wel ‘dat de wijze waarop het Amsterdamse openbaar ministerie zijn bevindingen publiek heeft gemaakt, ongelukkig is geweest en dat daarbij de ernst van de zaak en de mate waarin het publiek daarin was geïnteresseerd en meeleefde is onderschat.’

Andrée van Es (PSP) vestigde haar naam met de interpellatie-Kok en deelde op 17 december 1985 mee dat ze voortaan als fractievoorzitter van haar partij zou optreden. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo

Hij vond dat het OM te vroeg conclusies had getrokken en dat het onderzoek naar de feiten moest worden voortgezet, naast het disciplinair onderzoek. Daarmee gaf hij een forse tik op de vingers van het OM. Hij voegde daaraan toe dat hij er persoonlijk op zou toezien dat er geen aspect onderbelicht bleef en geen millimeter licht zou zijn tussen de onderzoeken: ‘Conclusies worden niet zonder mijn voorafgaande instemming en niet zonder overleg met de korpsbeheerder getrokken of gepubliceerd.’[11]

Van Es steunde het besluit om het feitenonderzoek voort te zetten. PPR-woordvoerder Lankhorst stelde dat Korthals Altes in zijn uiteenzetting al meer samenhang had aangebracht dan hij in het hele rapport van het OM was tegengekomen. Wessel-Tuinstra (D66) had geen goed woord over voor het OM dat het rapport geheim had willen houden tot na het debat: ‘een wonderlijke manier van denken (…) over de parlementaire democratie. Tweede Kamerleden mochten eens te goed geïnformeerd raken! In elk geval is het goed dat de minister van Justitie verstandiger was.’ De kernvraag was volgens Kosto ‘of Hans Kok naar redelijke verwachting nog in leven zou zijn als hij niet rechtens van zijn vrijheid beroofd was geweest in de vroege ochtend van de 25ste oktober, maar zelf zijn slaapplaats had kunnen kiezen’. Van der Burg wachtte op de nadere rapportage, maar vroeg zich af of het OM in Amsterdam wel naar behoren functioneerde. Ernsting (CPN) vond het persoonlijke toezicht van Korthals Altes een goede zaak omdat dit afdoende parlementaire controle mogelijk maakte. Van Dis (SGP) stelde vast dat de minister uitdrukkelijk erkend had dat de politie en het OM onzorgvuldig hadden gehandeld en daarmee was toch ‘een blaam gelegd op het politiële en justitiële apparaat’. VVD-woordvoerder Jacobse beaamde ten slotte dat er zich ‘dingen hebben voorgedaan die in onze democratische rechtsstaat ontoelaatbaar zijn’. De reputatie van de politie was ernstig geschaad, het was onaanvaardbaar dat de schijn van verdoezeling werd gewekt.[12]

De Ministers Rietkerk (links) en Korthals Altes bij het interpellatiedebat in verband met de dood van kraker Hans Kok in een politiecel, 28 november 1985. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief /Anefo

Korthals Altes slaagde er daarna nog in enkele rimpels – onder meer over de temperatuur in de cel en het overleggen van stukken aan de familie-Kok – voorlopig glad te strijken. In zijn memoires noteerde hij tevreden dat hij er door zijn toezeggingen in geslaagd was de grootste onrust weg te nemen. Dat bleek ook uit het feit dat er geen motie was ingediend.[13]

Het directe politieke gevaar was afgewend, maar het eind van de zaak-Kok was nog lang niet in zicht. Het tweede rechercheonderzoek zou begin april 1986 worden afgesloten. Het resultaat week enigszins af van het door Van Thijn op touw gezette disciplinaire onderzoek, waarna Korthals Altes – mede op aandringen van Van Thijn – het OM alsnog verzocht een gerechtelijk vooronderzoek naar drie bewakers te starten.[14] Op 28 november 1986 sloot de rechter-commissaris dat onderzoek af en op 11 december 1986 stuurde Korthals Altes zijn reactie daarop naar de Kamer. Bij wijze van hoge uitzondering maakte hij de resultaten van het onderzoek integraal bekend: vanwege de grote publieke druk was volledige openbaarheid belangrijker dan privacy. De vaste commissies voor Justitie en Politie schaarden zich op 17 december in een mondeling overleg achter de conclusies. Op dezelfde dag stemde de Amsterdamse raad in met de reactie die Van Thijn had afgestemd met de minister van Justitie.[15] Veertien maanden waren intussen verstreken sinds Hans Kok dood was aangetroffen in zijn cel. Een overhaast opgesteld rapport en drie grondige vervolgonderzoeken leidden uiteindelijk tot de onontkoombare conclusie dat een causaal verband tussen het doen en nalaten van individuele politiemensen en de dood van Kok niet te bewijzen was.

[1] Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG), archief Van Thijn, inv.nr. 141, Persbericht Openbaar Ministerie, 18 nov. 1985.

[2] Handelingen II 1985-86, 20 nov. 1985, p. 1539.

[3] Ed van Thijn, BM (Amsterdam en Antwerpen 2003) p. 9.

[4] IISG, Staatsarchief, Ontruiming Schaepmanstraat en dood Hans Kok, doos 1, map 1, ‘De dood van Hans Kok’; Klaas Wilting, De roerige jaren van een politiewoordvoerder (Emmen 2019) p. 83-87.

[5] Frits Korthals Altes, Zeven politieke levens. Herinneringen in dossiers (Amsterdam 2017) p. 339.

[6] Handelingen II 1985-86, 20 nov. 1985, p. 1539.

[7] Handelingen II 1985-86, 28 nov. 1985, p. 1919; voor een interessante reflectie van Van Es op dit debat en haar inbreng zes jaar na dato: Andrée van Es, ‘Minachting en respect’,  Het Parool, 4 mei 1991.

[8] Kamerstukken II 1985-86, 19317, brief van de minister van Justitie; Nationaal Archief (NA), archief Tweede Kamer, inv.nr. 13907, Proces verbaal ‘Relaas betreffende het overlijden van J.N. Kok in een cel bij de gemeentepolitie van Amsterdam’; volledig rapport: NA, archief Justitie 2.09.105, inv.nr. 6856.

[9] De interpellatie kreeg in de Handelingen het etiket ‘Arrestantenbewaking’: Handelingen II 1985-86, 28 nov. 1985, p. 1874-1893.

[10] Handelingen II 1985-86, 28 nov. 1985, p. 1875.

[11] Ibidem, p. 1875-1880; minister Rietkerk (p. 1880-1881) benadrukte vooral dat het politieke debat over de gang van zaken in het cellenhuis in de Amsterdamse gemeenteraad thuishoorde; Korthals Altes, Zeven politieke levens, p. 340.

[12] Handelingen II 1985-86, 28 nov. 1985, p. 1881 (Van Es), 1882-1883 (Lankhorst), 1883 (Wessel Tuinstra), 1883-1884 (Kosto), 1884-1885 (Van der Burg), 1885 (Ernsting), 1886 (Van Dis) en 1887 (Jacobse).

[13] Ibidem, p. 1887-1892; Korthals Altes, Zeven politieke levens, p. 340.

[14] Elma Verhey, ‘“Ik heb er nooit rekening mee gehouden dat mijn man en zijn chef zouden worden gehoord.” De verklaring die Korthals Altes miste en Van Thijns rol daarin’, Vrij Nederland, 17 jan. 1987; Van Thijn, BM, p. 69-70; Vrij Nederland, 2 aug. 1986.

[15] Kamerstukken II 1986-87, 19317 Het overlijden van een arrestant in een Amsterdamse politiecel, nr. 5 brief van de minister van Justitie, 11 dec. 1986 en nr. 6, Verslag van een mondeling overleg (van 17 dec. 1986), vastgesteld 11 maart 1987;  ‘Amsterdamse Raad achter Van Thijn in zaak-Kok’, NRC Handelsblad, 17 dec. 1986.