Het was april 1984, het kabinet-Lubbers I was anderhalf jaar op weg, toen de jongste minister uit die regeringsploeg besloot van zijn hart geen moordkuil te maken. In een interview in Vrij Nederland evalueerde hij het functioneren van de Nederlandse parlementaire democratie. Daaraan viel best wat te verbeteren, vooral aan de rol van de Tweede Kamer. Alom werden de woorden van minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur Elco Brinkman (CDA) als arrogant en laatdunkend bekritiseerd. De Kamer riep niet alleen hem, maar ook minister-president Lubbers op het matje. Er volgde een principieel debat over de taken en bevoegdheden van Kamer en kabinet, dat hierna wordt weergegeven.
‘Een Kamerlid denkt vaak dat-ie maar een motie hoeft te laten aannemen en dat het dan ineens allemaal anders is in Nederland. (…) Terwijl het Binnenhof denkt de zaken even geklaard te hebben, merk ik bij mijn werkbezoeken dat dat in het land helemaal niet gevonden wordt,’ aldus minister Brinkman tegen journalisten Max van Weezel en Joop van Tijn.

Minister Brinkman (links) en minister-president Lubbers tijdens de interpellatie-Den Uyl naar aanleiding van Brinkmans uitspraken in Vrij Nederland, 3 mei 1984. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief /Anefo

Gedeelte uit het betreffende interview van Max van Weezel en Joop van Tijn, ‘Minister Brinkman: “We hebben in Nederland tien, vijftien jaar het gezag op een vergiet gelegd”’, Vrij Nederland, 21 april 1984.
‘Je mag van Kamerleden verwachten dat ze hun informatie niet alleen in [perscentrum] Nieuwspoort opdoen. En dat ze niet alleen doorgeefluik van belangengroepen zijn. Want soms lijkt het op het Binnenhof echt één grote coterie.’ Ook meende Brinkman dat er meer respect moest zijn voor de besluiten die een minister nam, want daar was goed over nagedacht: ‘Dan zeg ik: “Jan de burgemeester vond dat, Piet het Kamerlid dacht er dit over, maar ten slotte heb ik, Elco Brinkman de minister, zo beschikt.”’ Ook zei hij voorstander te zijn van een systeem waarbij leden van de Tweede Kamer hun functie als deeltijdbaan vervulden en over minder assistenten konden beschikken. ‘Dat zou de democratie misschien wel bevorderen. Dan houden die Kamerleden misschien weer eens zelf een speech.’[1]
Het interview werkte als een rode lap op een stier. Niet alleen de welzijnssector reageerde verontwaardigd, ook een groot deel van de Kamer was zeer geïrriteerd. Voor een deel was die wrevel te verklaren door de jeugdigheid van de minister. Brinkman was ‘een snotneus’, met zijn 34 jaar de jongste minister met bovendien alleen werkervaring in de Haagse bureaucratie. Hij was hoofd van de afdeling binnenlands bestuur (directeur-generaal) op het ministerie van Binnenlandse Zaken toen Lubbers op zoek ging naar ‘een manager’ die goed thuis was in de Haagse bureaucratie om het nieuwe departement WVC efficiënt te leiden en de bezuinigingen in de lastige welzijnssector erdoor te krijgen.[2] Die uitdaging was Brinkman met overgave aangegaan, met tot gevolg dat hij in korte tijd in zijn nabije werkomgeving een zekere reputatie opgebouwd. Volgens Vrij Nederland zagen zijn kabinetsgenoten hem als ‘een ietwat napoleontische figuur, heerserig, hanig, op zijn stuk staand en niet van wijken wetend’.[3]
Hoewel minister-president Lubbers tijdens zijn wekelijkse persconferentie probeerde de schade zo klein mogelijk te houden door te veronderstellen dat Brinkman de uitspraken vast met de beste bedoelingen had gedaan en zei er zelf niet zo zwaar aan te tillen, kon hij niet voorkomen dat de Kamer de minister – letterlijk – mores wilde leren. Zo wilde Kamerlid Peter Lankhorst van de minister weten hoe hij dacht na deze blijk van minachting nog vruchtbaar te kunnen samenwerken met de Staten-Generaal.[4] Ook Kamervoorzitter Dick Dolman (PvdA) wilde opheldering en stelde schriftelijke vragen, wat uitzonderlijk was.[5] De antwoorden van de minister wisten de gemoederen niet te bedaren.
Joop den Uyl (PvdA), aanvoerder van de grootste partij in de oppositie, kreeg zelfs toestemming van de Kamer om het hogerop te zoeken. Hij kreeg toestemming voor een interpellatie, die hij niet richtte tot Brinkman, maar tot de minister-president.[6] Lubbers was immers de ‘hoeder van de eenheid van het kabinetsbeleid’. Den Uyl meende ‘dat door verschillende uitspraken de positie van het parlement ten opzichte van de regering en die van de regering ten opzichte van de volksvertegenwoordiging in het geding [waren] gebracht, en dat daarmee de constitutionele verhoudingen in gevaar [waren] gebracht’.[7]
Het interpellatiedebat werd op 3 mei gehouden.[8] Hoewel de interpellatie uitsluitend tot de minister-president was gericht, werd Brinkman tijdens het debat op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de discussie. Den Uyl wilde in de eerste plaats weten waarom Lubbers had gezegd niet zwaar te tillen aan de uitspraken van de minister. In de tweede plaats meende hij dat in het interview een ‘niet ongevaarlijke kijk’ naar voren kwam op de verhouding tussen regering en parlement, die hij vond neigen naar ‘anti-parlementaire stemmingmakerij’. Den Uyl zag daarbij een patroon. Enkele leden van het kabinet, onder wie Brinkman, waren volgens Den Uyl discipelen van een ‘flinkheidscultus’ die de Kamer zagen als ‘een stel zeurkousen die de harde waarheden niet bij naam durven noemen, de lafaards, en wij, de flinke ministers, zullen wel eens even laten zien hoe het moet’. Die houding berustte op een ‘misverstandje’ dat de oppositieleider graag even rechtzette: anders dan Brinkman scheen te denken had niet hij maar een meerderheid van de 150 Kamerleden het laatste woord. Het werken met de Kamer en het respecteren van haar rechten mocht dan ‘lastig en vaak zeer tijdrovend’ zijn voor een kabinet, maar het was ‘toevallig wel de manier waarop in dit land geregeerd moet worden’. Van Lubbers wilde hij weten of hij het eens was met de strekking van het interview met Brinkman. Stond hij achter zijn uitspraken?

Premier Lubbers en minister Brinkman tijdens de interpellatie Den Uyl over de uitlatingen van minister Brinkman in Vrij Nederland. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo
Minister-president Lubbers liet daarover geen misverstand bestaan: ‘Neen, ik ben het niet met die uitspraken eens’. Hij zei ze daarbij ook af te keuren omdat ‘de werking van de parlementaire democratie niet was gediend bij een niet hard te maken kritiek’. Maar hij ging niet mee in Den Uyls overtuiging dat Brinkman het parlement de mond had willen snoeren. Brinkman zelf kreeg ook het woord. Hij ging diep door het stof en bood zijn ‘oprechte verontschuldigingen’ aan omdat hij op sommige punten een ‘onvoldoende evenwichtige kijk op de werkwijze van uw Kamer’ had verwoord. ‘Minachting van het parlement’ had op geen enkel ogenblik een rol gespeeld, verzekerde hij de Kamer.
Leden van oppositiepartijen zoals Ria Beckers-De Bruijn (PPR) en Elida Wessel-Tuinstra (D’66) waren niet erg onder de indruk van deze spijtbetuiging en peperden de minister in dedain en arrogantie voortaan thuis te laten. Van partijgenoot Huib Eversdijk (CDA)[9] kreeg Brinkman niet alleen een standje voor ‘de onzin’ die hij had verkondigd over het inperken van het aantal fractiemedewerkers en het invoeren van deeltijdfuncties voor Kamerleden, maar ook een ‘vaderlijk advies’: ‘ga snel maar weer aan het werk en leg nog meer accent op het maken van verstandige opmerkingen’. Ed Nijpels (VVD) nam de uitlatingen van Brinkman niet serieus. Hij beschouwde ze als ‘een hutspot van ondoordachte, wat emotionele en onevenwichtige beschouwingen over zijn ervaringen tot nu toe als minister’. Voor hem was het duidelijk dat Brinkman niet de visie van het kabinet had vertegenwoordigd. Hij adviseerde het CDA om de minister bij de komende Kamerverkiezingen hoog op de lijst te zetten, zodat hij het verschil eens kon ervaren tussen ‘het zachte pluche van de ministerszetel’ en ‘de rauwe werkelijkheid van de harde kamerbankjes’.

Opland, ‘deeltijd-afstraffing’, de Volkskrant, 4 mei 1984
Den Uyl was ongetwijfeld gedreven door zijn principes ten aanzien van de parlementaire democratie, maar hij had met de publieke oorwassing van minister Brinkman het kabinet ook een tik willen uitdelen. Daarin slaagde hij maar ten dele, omdat Lubbers zich van de uitspraken van Brinkman distantieerde. Lubbers concludeerde in de tweede termijn dat de structurele verhouding tussen kabinet en Kamer door het interview niet waren geschaad. Brinkman had afstand genomen van zijn uitlatingen, die geen deel uitmaakten van het kabinetsbeleid. Brinkman zelf gaf aan het slot van het debat nederig toe dat het leerzaam was om hard en streng te worden toegesproken en dat hij van plan was het geleerde in de praktijk te brengen. Een dag later vatte politiek tekenaar Opland (pseudoniem van Rob Wout) in de Volkskrant de gevoerde interpellatie goed samen. De jonge minister Brinkman kreeg met een rol Kamerverslagen billenkoek van de parlementaire rot in het vak Joop den Uyl, terwijl minister-president Lubbers vanachter het gordijn toekeek.