‘We hoeven niet altijd het beste jongetje van de klas te zijn’, verklaarde premier Dick Schoof in zijn regeringsverklaring in 2024. Hij doelde op internationale en Europese milieu- en klimaatafspraken en suggereerde dat Nederland daarin van oudsher vooropliep. Maar klopt dat wel? Om daar antwoord op te vinden duiken we in een Kamerdebat waarin deze claim centraal kwam te staan: dat over de gewijzigde Wet Chemische Afvalstoffen (WCA) in juni 1988.

De oorspronkelijke WCA dateerde van 1977. Het was een poging om de almaar groeiende stroom afval van de chemische industrie in goede banen te leiden. Waar die afvalstoffen tot dan toe vaak in het milieu belandden, zoals in de Volgermeerpolder en in Lekkerkerk, verbood de WCA dit soort dumping. De WCA legde regels op voor de verwerking van chemisch afval in eigen land. Maar daarmee ontstond een nieuw probleem. De verwerking van chemisch afval, zoals in verbrandingsovens, bracht immers kosten en administratieve rompslomp met zich mee. Zodoende gaf de WCA onbedoeld een prikkel om chemisch afval over de grens te lozen om aan regels, toezicht en kosten te ontsnappen.

Milieuminister Nijpels met collega’s in gesprek met de directeur van het VN-milieuprogramma, Mostafa Tolba. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo

Dit effect was ook elders in Europa zichtbaar. In de nasleep van de industrieramp bij het Italiaanse Seveso (1976) bijvoorbeeld, waar hoogst giftige dioxine van de rampplek spoorloos raakte. Dit leidde tot een schandaal van Europese schaal, en een respons van de Europese Commissie: in 1984 kwam er een Europese variant van de WCA. Maar opnieuw verplaatste die het probleem – ditmaal naar het Oostblok en Afrika. Al in 1986 kwam de Commissie daarom met een correctie, die ook de export van chemisch afval vanuit de EG aan banden legde.

De Telegraaf, september 1988: het Duitse ‘gifschip’ Karin B op zwerftocht nadat het geweigerd werd in Nigeria

Noodwetje?

De eerste twee kabinetten-Lubbers liepen achter deze ontwikkelingen aan. De WCA voorzag immers niet in de exportcontroles die de Europese richtlijnen voorschreven. Ruim anderhalf jaar nadat de deadline voor implementatie van de tweede Europese richtlijn was verstreken, schoot milieuminister Ed Nijpels (VVD) in actie met een versnelde herzieningsprocedure voor de WCA. Zodoende kwam de behandeling van de herziene WCA op de valreep voor het zomerreces van 1988. De urgentie werd nog eens vergroot doordat Nijpels diezelfde dag nog in Luxemburg moest zijn voor een vergadering met zijn Europese collega-milieuministers over het bestrijden van de export van chemisch afval naar wat indertijd de Derde Wereld genoemd werd.

Die urgentie werd sterk gevoed door de actualiteit. In 1988 verschenen met grote regelmaat verhalen in de kranten over clandestiene afvalexporten naar Afrika en over gifschepen die op de oceaan dobberden zonder hun lading ergens kwijt te kunnen. Afrikaanse leiders reageerden met grote verontwaardiging en verweten het rijke Westen het mondiale Zuiden te misbruiken als gifbelt.

In de Kamer trok Leni van Rijn-Vellekoop (PvdA), als aanvoerder van de oppositie, de intenties van Nijpels in twijfel: ‘Hij stelde zich op als de grote jongen die snel en adequaat reageerde op de afvaldumpingen in de Derde Wereld. Hij presenteerde het noodwetje als een reactie op die schandalen, terwijl hij al jaren geleden had moeten reageren op de EG-richtlijnen.’[1]

Dit laatste punt van Van Rijn-Vellekoop maakte het debat des te saillanter. Op dat moment stond Nederland er in Brussel bepaald niet goed op wat betreft de implementatie van Europese milieuwetgeving. In 1986 had de Europese Commissie Nederland voor maar liefst drie verschillende milieurichtlijnen in gebreke gesteld, en in 1988 volgde een vierde vermaning.

Minister Nijpels beet direct van zich af. Hij ontkende dat beeldvorming had meegespeeld in de herziening van de WCA. Hij bediende zich van een verweer dat in die periode vaker in Nederland klonk. Waar andere lidstaten misschien nog weinig milieuwetgeving hadden, was de Nederlandse wetgeving reeds zo complex dat de implementatie van Europese wetgeving maatwerk, en dus veel tijd, vereiste. Van Rijn-Vellekoop wees dit excuus resoluut van de hand: ‘het deed mij denken aan […] iemand die een boek aangeboden kreeg en zei: nee dank u, ik heb al een boek.’[2]

Bewoners van gifbelten spreken in Den Haag met minister Nijpels, 16 februari 1989. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo

Naar een exportverbod?

Van Rijn-Vellekoop vond de herziene WCA bovendien ontoereikend. Ze herhaalde het pleidooi van haar fractie uit 1984 voor een totaalverbod op de export van chemisch afval buiten de EG. Dat was volgens haar niet alleen het juiste om te doen, maar bespaarde ook op handhaving van een complex vergunningensysteem zoals de EG voorstelde. De andere progressieve partijen D66 en PPR, evenals de RPF en GPV, herhaalden haar zorgen en bepleitten eveneens een Europees uitvoerverbod. Regeringspartijen VVD en CDA verzetten zich hier niet tegen.

Zelfs Nijpels’ partijgenoot Jan te Veldhuis was kritisch op de traagheid van het kabinet en sceptisch over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de herziene WCA. Wel sloot hij zich, in tegenstelling tot zijn collega’s, aan bij het oordeel van Nijpels dat het Nederlandse bedrijfsleven niet betrokken was bij dumpingpraktijken in de Derde Wereld – en daarvoor complimenten verdiende.

In hun moties riepen verschillende fracties op tot een exportverbod naar derde landen vanuit de EG. Nijpels liet echter weten dat Nederland niet alleen kon optreden: een algeheel exportverbod was alleen mogelijk in EG-verband. Hij ontraadde daarom de moties van de PvdA en D66. Wel zegde hij toe exportcontroles richting Afrika aan te scherpen, wat in de praktijk zou werken als een verbod. Ook zou hij zich binnen de EG hard gaan maken voor multilaterale akkoorden die de export van chemisch afval naar de ‘Derde Wereld’ zouden verbieden.

De Waarheid, juni 1988: reportage over dumping van chemisch afval in Afrika

Dat werk begon diezelfde avond nog. Nijpels nam met een stevig mandaat van de Kamer het initiatief tot een exportverbod van chemisch afval naar het mondiale Zuiden, wat geblokkeerd werd door Groot-Brittannië en Frankrijk. Dit gevecht binnen de EG ging uiteindelijk om de standpuntbepaling in aanloop naar een VN-verdrag die op dat moment in de maak was. Mede door Nederlandse inzet bepleitte de EG hier een exportverbod, maar verder dan exportcontroles kwam het zogeheten Verdrag van Bazel van 1989 niet. Bovendien stemde de Amerikaanse senaat tegen ratificatie van het Verdrag. Een exportverbod kwam er uiteindelijk wel in een handelsakkoord tussen de EG en Afrikaanse staten.

Ongelijkheidsvraagstuk

Het debat over de WCA is tekenend voor de Nederlandse worsteling met Europees en mondiaal milieu- en klimaatbeleid. In de jaren tachtig was de Kamer nog overtuigd dat Nederland een functie had als ‘gidsland’ op dit gebied, zoals ook in het debat veelvuldig naar voren kwam. Ook Nijpels zelf hechtte aan het idee dat Nederland ‘toch nog steeds een voorbeeld is voor een groot aantal andere landen.’ Tegelijkertijd kon het die voortrekkersrol niet waarmaken waar het aankwam op de implementatie van Europese milieuwetgeving. Nederland was zodoende voortrekker en achterblijver tegelijk.

Er vallen zodoende de nodige kanttekeningen te plaatsen bij het zelfbeeld van Nederland als ‘beste jongetje van de klas’. Bovendien is de vraag gerechtvaardigd, zoals ook in 1988 centraal stond, of Nederland als welvarend geïndustrialiseerd land geen bijzondere verantwoordelijkheid draagt. De handel in chemisch afval vertoont wat dat betreft opvallende gelijkenissen met de klimaatcrisis. Beiden zijn niet alleen een milieu-, maar ook een ongelijkheidsvraagstuk. Maar dumping van chemisch afval is een stuk tastbaarder dan klimaatverandering en, zoals bleek in 1988, de wereld uit te helpen.

[1] Handelingen II 1987/88, 28 juni 1988, p. 5183-5184.

[2] Ibidem.

Dit artikel is mede gebaseerd op het onderzoek van Koen van Zon naar Europa’s omgang met chemisch afval en de handhaving van Europees milieurecht. Zie: