‘CDA in Kamer tegen verplicht meedoen aan de arbeidsmarkt’. Deze kop prijkte op 4 februari 1986 op de voorpagina van NRC Handelsblad.[1] Een dag eerder had de commissie voor Emancipatiebeleid gedebatteerd over het Beleidsplan Emancipatie in de Tweede Kamer. Met dit ambitieuze plan beoogde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Annelien Kappeyne van de Coppello (VVD), het vrouwenemancipatiebeleid voor de langere termijn uiteen te zetten. Eén van de speerpunten hierin was het bevorderen van de economische zelfstandigheid, wat zich uitte in maatregelen die de arbeidsparticipatie van vrouwen moesten aanmoedigen. Deze maatregelen – met name de zogenoemde ‘sollicitatieplicht’ – verdeelden de coalitiepartners CDA en VVD.[2]
De wortels van het plan lagen binnen de vrouwenbeweging, die een aantal jaren daarvoor discussies had gevoerd over de oorzaak van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Daarop besloot Hedy d’Ancona (PvdA), staatssecretaris SZW tijdens het kabinet-Van Agt II, dit te laten onderzoeken. Uit dit onderzoek bleek dat zowel de financiële en economische afhankelijkheid van vrouwen als ongelijkheid in de persoonlijke sfeer en huiselijk geweld, bijdroegen aan de maatschappelijke ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Nadat het kabinet-Van Agt II viel in 1982, bouwde Kappeyne van de Coppello op dit onderzoek voort, onder andere met het Beleidsplan Emancipatie.[3]

Dineke Mulock Houwer (directeur voor Emancipatiezaken bij SZW), Annelien Kappeyne van de Coppello (VVD) en Ien Dales (PvdA), tijdens het commissiedebat over het Beleidsplan Emancipatie, 3 februari 1986. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief/Anefo.
Voor het eerst bestond nu de idee dat de emancipatie van de vrouw niet te bewerkstelligen was door een mentaliteits- of cultuurverandering, maar dat de overheid een actieve rol had in het tegengaan van ‘een structureel ongelijke machtsverhouding tussen mannen en vrouwen’. Het overheidsbeleid moest erop gericht zijn vrouwen in staat te stellen ‘een zelfstandig bestaan te verwerven’.[4]
Hoewel in het beleidsplan doelstellingen stonden op een divers aantal terreinen, uiteenlopend van justitie tot volkshuisvesting en onderwijs, bleken de plannen voor het bevorderen van de economische zelfstandigheid van vrouwen door middel van arbeidsparticipatie het meest controversiële punt. Eén van de maatregelen om dit te bereiken lag namelijk in een voorgestelde stelselherziening van de sociale zekerheid, waarin mannen en vrouwen nu gelijk zouden moeten worden behandeld. Een Europese richtlijn verbood namelijk discriminatie op grond van geslacht in het socialezekerheidsstelsel; een richtlijn waar Nederland uiterlijk 1 januari 1985 aan moest voldoen.[5] Vanaf 1990 zou iedere vrouw van 18 jaar – gehuwd en ongehuwd – dus aanspraak kunnen maken op een uitkering. Daartegenover stond wel dat deze vrouwen zich dan ook beschikbaar moesten stellen voor de arbeidsmarkt. Binnen de kaders van het beleidsplan zou deze maatregel ook de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt kunnen bevorderen – de arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen was vergeleken met die van vrouwen in andere landen in Europa opvallend laag. De maatregel werd al snel door christelijke partijen omgedoopt tot een ‘sollicitatieplicht’ of ‘arbeidsplicht’.[6]
Al in juni 1984 werd een conceptplan besproken binnen het kabinet, waar een flinke discussie plaatsvond. Onder andere CDA-minister Job de Ruiter vond dat het beleidsplan een te ingrijpende rol aan de overheid toedichtte en bevroeg de staatssecretaris over de mogelijke verplichting tot deelname aan de arbeidsmarkt. Kappeyne van de Coppello benadrukte in antwoord daarop dat het beleidsplan op de lange termijn de arbeidsparticipatie van vrouwen wilde bevorderen, maar dat het op geen enkele manier vrouwen zou dwingen om te gaan werken. Alleen diegenen die aanspraak wilden maken op een uitkering, moesten zich beschikbaar stellen voor werk. Door de wijziging pas in 1990 in te laten gaan en op dat moment te beginnen met 18-jarige vrouwen, stuurde ze aan op een geleidelijke toename in arbeidsparticipatie en hoopte zo voldoende rekening te houden met de oudere vrouwen die dit niet wensten te doen.[7]

Vrouwen voeren actie voor economische zelfstandigheid bij Bevolkingsregister Amsterdam. De economische zelfstandigheid van vrouwen was een belangrijk speerpunt binnen de vrouwenbeweging. Hoewel het Beleidsplan Emancipatie gebruik wilde maken van de herziening van het sociale stelsel in Nederland, hadden vrouwen eerder al geprotesteerd tegen de voorstellen onder deze stelselherziening. Deze voorstellen hielden de facto namelijk nog steeds een verschil tussen mannen en vrouwen in stand met betrekking tot rechten in het socialezekerheidsstelsel. Op 30 maart 1984 werd daarom door het hele land actie gevoerd. Bij het bevolkingsregister in Amsterdam probeerde de groep vrouwen op de foto zich in te schrijven op het adres van de burgemeester, Ed van Thijn: “Als we dan toch een kostwinner moeten hebben, dan maar meteen een goeie.”[20] Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief/Anefo
Ook vanuit de maatschappij kwamen felle reacties. Hedy d’Ancona, inmiddels Europarlementariër, was zeer te spreken over het streven de arbeidsparticipatie en daarmee economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten, maar bekritiseerde het conceptplan omdat het voorstelde pas in 1990 vrouwen van 18 jaar het recht op een uitkering te geven.[8] Aan de andere kant richtte een groep vrouwen naar aanleiding van de presentatie van het conceptplan de ‘Stichting Vrije Vrouwen’ op. Deze groep vond dat het plan ‘betuttelend’ was en dat het de rol van huisvrouw in ‘diskrediet’ bracht.[9]
Op 25 juni 1985 stuurde Kappeyne van de Coppello op het definitieve plan naar de Kamer. Nog steeds stond de economische zelfstandigheid van vrouwen, onder andere te bereiken door het veranderen van het socialezekerheidsstelsel in 1990, centraal.[10] De kleine christelijke partijen reageerden direct afkeurend op het plan in de media.[11] Bij de vergadering van de Emancipatiecommissie in de Tweede Kamer op 3 februari 1986, voegde het CDA zich aan deze critici toe.
CDA-woordvoerder Hanske Evenhuis-van Essen benadrukte in haar bijdrage de waarde van onbetaalde arbeid, zoals huishoudelijke taken. Haar fractiegenoot Jeltien Kraaijeveld-Wouters, die eerder staatssecretaris voor Emancipatiezaken was geweest in het kabinet-Van Agt I, ging vervolgens dieper in op het standpunt van het CDA. Zij vond dat het plan te veel de nadruk legde op de economische zelfstandigheid van de vrouw en op de ‘complete verdeling’ van taken binnen een huwelijk. Ze betwijfelde of dit daadwerkelijk de enige weg naar emancipatie was. In plaats daarvan wilde haar fractie de eigen verantwoordelijkheid centraal stellen en benadrukken dat mannen en vrouwen binnen een relatie zelf konden besluiten hoe de taken te verdelen. Met de 1990-maatregel nam de regering deze eigen verantwoordelijkheid niet serieus en stuurde zij aan op ‘een sollicitatieplicht, dus een arbeidsplicht’. De CDA-woordvoerder vond dat dit de keuzevrijheid van met name gezinnen met de laagste inkomens beperkte, aangezien zij niet zouden kunnen kiezen rond te komen van één uitkering of inkomen.[12]
Andere partijen, zoals de VVD en D66, waren positiever over de plannen, maar vonden de wijzigingen in het stelsel juist onvoldoende en meenden bijvoorbeeld dat het onterecht was dat voor gezinnen met jonge kinderen een uitzondering werd gemaakt. Op die manier bleef het idee dat de vrouw voor de kinderen moest zorgen gehandhaafd. Andrée van Es (PSP) sprak van het bestaan van een ‘huishoudplicht’ voor vrouwen, die moest worden doorbroken.[13]
De staatssecretaris verweerde zich tegen de inbreng van het CDA door erop te wijzen dat de huidige sociale wetgeving, gebaseerd op het kostwinnersmodel, ook al ‘zeer indringend’ ingreep in de levens van burgers, juist door het minder makkelijk te maken voor gehuwde vrouwen om te werken. Met het beleidsplan zou de regering vrouwen nergens toe dwingen. ‘Stimulansen worden aangeboden en niet opgedrongen,’ aldus Kappeyne van de Coppello.[14]
Deze reactie was onvoldoende voor CDA-fractie. De twee woordvoerders dienden daarom een motie in om af te zien van de 1990-maatregel.[15] Kappeyne van de Coppello ontraadde de motie meteen, waarop deze werd verworpen. Alleen het CDA en de kleine christelijke partijen stemden voor.[16] De 1990-maatregel werd dus uiteindelijk ingevoerd met de stelselherziening van de sociale zekerheid. De gehele herziening hield echter de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen het stelsel voor een deel in stand.[17]
In de brede zin bleef het beleidsplan met voorstellen voor de verbetering de positie van de vrouw in het algemeen tot in de jaren negentig belangrijk voor het emancipatiebeleid van de overheid.[18] Tijdens de drie kabinetten-Lubbers verschenen verschillende beleidsnota’s op het gebied van de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt, kinderopvang, seksueel geweld en de maatschappelijke positie van vrouwen en meisjes. Bij deze laatste zette de Nederlandse regering ook de postbus 51-campagne op die bekend werd door de slogan ‘een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’.[19]
Postbus 51 campagne ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’ youtube.com