De aids-epidemie kwam begin jaren tachtig in Nederland op een moment dat de homobeweging zich politiek steeds nadrukkelijker liet horen. Het kabinet-Lubbers reageerde echter laat en legde de nadruk op eigen verantwoordelijkheid. In deze blog vraagt Bram Mellink zich af waarom dit beleid niet op meer protest van de homobeweging stuitte.

Op maandag 29 januari 1979 ruimden de nonnen die voor Jo Gijsen het huishouden deden de rotzooi op. Eindhovense activisten hadden de avond ervoor het huis van de bisschop van Roermond ondergeplakt, nadat Gijsen in Elseviers Weekblad had verklaard dat hij aan homoseksuelen de communie zou ontzeggen. Het plaatselijke incident illustreerde een tegenstelling die in de daaropvolgende maanden op de spits werd gedreven, en een Nederlandse variant van de Gay Pride op zou leveren. Sinds 1979 wordt in Nederland Roze Zaterdag georganiseerd, een jaarlijkse protestdag die ontstond rondom de leuze ‘Gijsen flikker op!’, en waarin de reactionaire bisschop nog jarenlang zou figureren als the man you love to hate.

Kaarsen voor overleden aids patiënt

Kaarsen voor overleden AIDS-patiënt tijdens AIDS Memorial Day in Amsterdam, 30 mei 1987. Foto: Bart Molendijk, Nationaal Archief / Anefo

Protest tegen bisschop Gijsen

Homoseksuelen demonstreren in Roermond tegen uitlating bisschop Gijsen, 14 april 1979. Foto: Hans van Dijk, Nationaal Archief / Anefo

Christendemocratie en homo-emancipatie

De wig die in de discussies rondom Gijsen werd gedreven tussen homoseksualiteit en christendom was omstreeks 1980 allerminst vanzelfsprekend. Verschillende predikanten en pastoors die in het kader van de pastorale zorg in eigen gemeente of parochie met homoseksuelen spraken, hadden vooral vanaf de jaren zestig gepleit voor meer tolerantie en begrip jegens de ‘homofiel’ in eigen kring. Net als in discussies over het feminisme en abortus, bleken christenen verdeeld over het vraagstuk van homoseksualiteit, en dus ging de partijleiding van een brede christelijke volkspartij als het CDA omzichtig met de kwestie om. ‘Ik ben geen inwoner van het bisdom Roermond’, verklaarde CDA-leider en premier Dries van Agt toen hem gevraagd werd te reageren op de recente uitspraken van Gijsen. CDA-fractievoorzitter Ruud Lubbers zag in het geheel geen aanleiding om op vragen van journalisten in te gaan.

Toch zouden de christendemocraten in de jaren die volgden in toenemende mate in het conservatieve kamp worden geplaatst in discussies over homoseksualiteit. Hun interpretatie van de Nederlandse onderwijsvrijheid, en specifiek hun verdediging van het recht van christelijke scholen om homoseksuele leerkrachten te weigeren op grond van hun levensbeschouwing, zouden aanleiding vormen voor een nieuwe golf van protesten uit homoseksuele kring. Homo’s en christenen leken bij aanvang van de jaren tachtig op ramkoers te liggen. Toch leidde de uitbraak van aids in Nederland nauwelijks tot politiek debat en ontstond er ogenschijnlijk brede overeenstemming over het te voeren beleid. Hoe kan dat? Waarom konden leden van de homogemeenschap en christendemocraten, bepaald geen vanzelfsprekende bondgenoten, elkaar wél vinden in hun visie op aids?

Familiewaarden

Het antwoord op die vraag valt moeilijk met zekerheid te geven, maar een vermoeden heb ik wel. In 2017 publiceerde de Australische socioloog en Amerika-deskundige Melinda Cooper het boek Family Values, waarin ze liet zien hoe Amerikaanse gezinswaarden die voorheen werden gewaarborgd door de New Deal en het daarin vervatte mannelijk kostwinnerschap, sinds de jaren zeventig steeds meer worden gewaarborgd door de markt. Cooper geeft hiervan vele voorbeelden, maar het meest sprekende voorbeeld is wat mij betreft de discussies die onder Amerikaanse politici en beleidsmakers werden gevoerd over de afschaffing van studiebeurzen voor studenten. Door een einde te maken aan door de overheid verschafte studiefinanciering, zo luidde de gedachte, waren studenten weer op hun ouders aangewezen om te kunnen studeren, en werden verantwoordelijkheden die de overheid op zich had genomen, overgeheveld naar de plaats waar zij eigenlijk thuishoorden: bij het individu en het gezin.

De situatie die Cooper voor de Verenigde Staten beschrijft valt niet één-op-één met Nederland te vergelijken, maar een overeenkomst die desondanks in het oog springt is het beroep op het herstel van ‘eigen verantwoordelijkheid’, dat begin jaren tachtig ook Nederland bereikte met het aantreden van premier Ruud Lubbers. In zijn regeringsverklaring uit november 1982 kondigde Lubbers de overgang aan van ‘een verzorgingsstaat, die onbetaalbaar en drukkend dreigt te worden, naar een zorgzame samenleving waarin mensen voor elkaar opkomen’. Het streven hierbij, zo lichtte minister van Volksgezondheid en prominent CDA-ideoloog Elco Brinkman enige maanden later toe, was niet zozeer gericht op de afschaffing van de verzorgingsstaat als zodanig, maar op een overheid die ‘haar taken vervult op een wijze die aansluit op en ruimte laat aan de eigen verantwoordelijkheid van mensen’.

Binnen het CDA werd in dit verband ook wel gesproken van ‘de verantwoordelijke samenleving’. In deze verantwoordelijke samenleving zouden mensen – opnieuw in de woorden van Brinkman – ‘in staat moeten zijn om verantwoordelijkheid te dragen voor het eigen en elkaars welzijn en gezondheid’. De overheid kon hen tot deze verantwoordelijkheid ‘stimuleren’.

De verantwoordelijke samenleving en aids

Wat betekende deze nadruk op eigen verantwoordelijkheid nu precies voor de Nederlandse aidsaanpak? Wie de houding van het eerste kabinet-Lubbers inzake aids tegen het licht houdt, is aanvankelijk geneigd te denken: niet veel. Zoals historica Annet Mooij in haar boek Geen paniek! heeft laten zien, kreeg aids in de eerste jaren weinig prioriteit in Den Haag. ‘Het heeft me altijd verbaasd dat de politiek er zich zo weinig mee bemoeid heeft’, verklaarde Hans Moerkerk, aidsbestrijder van het eerste uur, desgevraagd. ‘En voorzover men zich ermee bemoeide was dat altijd in de zin van: laat die jongens dat maar opknappen, dat gaat wel goed.’

Met ‘die jongens’ doelt Moerkerk op een kleine groep homo-artsen die, samen met enkele medisch specialisten van het AMC en de directeur van de GG & GD te Amsterdam in 1983, een Stuurgroep Aids in het leven riepen om de aidscrisis in Nederland te lijf te gaan. De eerste aidsdiagnose in Nederland was in het voorjaar van 1982 gesteld. Het ontwaken van Den Haag liet hierna lang op zich wachten: pas in september 1985 verscheen de eerste aidsnotitie, en kwamen de eerste Kamerdebatten op gang. Een volwaardige nota volgde nog eens twee jaar later, en in datzelfde jaar werd de officieuze stuurgroep uit 1983 vervangen door een Nationale Commissie Aidsbestrijding waarover het ministerie de regie voerde.

Vanaf het moment dat Den Haag zich echter wél met aids ging bezighouden, was de boodschap duidelijk: aids moest vooral geen aanleiding geven tot discriminatie, uitsluiting, paniek of ophef. Daarom werd ‘gewerkt aan een lange-termijnbeleid, gericht op verantwoordelijkheid voor de eigen en elkaars gezondheid’, kondigde staatssecretaris van Volksgezondheid Joop van der Reijden (CDA) in de eerste aidsnotitie uit september 1985 aan.

Het accent op eigen verantwoordelijkheid zou in de daaropvolgende jaren vaak terugkeren. ‘Het is thans meer dan ooit gewenst dat mensen zich ten aanzien van deze gebieden van hun verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid en die van anderen bewust zijn’, verklaarde Van der Reijdens opvolger Dick Dees (VVD) in 1988 in zijn antwoord op Kamervragen naar de inhoud van de Nederlandse aidsvoorlichting. ‘Mijn voorlichtingsbeleid is mede op die bewustwording gericht, zonder daarbij overigens te willen moraliseren, omdat het de overheid niet past te treden in privé-aangelegenheden.’ In eerdere campagnes, die met ministeriële subsidies werden bekostigd maar door homoactivisten werden voorbereid, had de boodschap van ‘eigen verantwoordelijkheid’ inzake aids ook al centraal gestaan: ‘Vanaf 1983 zijn jaarlijks met steun van het Ministerie landelijke voorlichtingscampagnes met betrekking tot aids gevoerd. In 1985 heeft daarbij niet zozeer het verstrekken van informatie, maar het benadrukken van de verantwoordelijkheid voor elkaars gezondheid centraal gestaan’, schreef staatssecretaris Van der Reijden in november 1985 aan de Tweede Kamer.

Staatssecretaris Dees

Staatssecretaris Dees presenteert de voorlichtingscampagne “Aids en werk”, 13 april 1988. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo

Afwezig protest

Dat deze nadruk op ‘eigen verantwoordelijkheid’ in wezen goed paste bij de ‘verantwoordelijke’ of ‘zorgzame’ samenleving die het CDA voor ogen stond, zal duidelijk zijn. Maar waarom werd die gerichtheid op eigen verantwoordelijkheid door homoactivisten aanvaard, of leidde deze nadruk op ‘eigen verantwoordelijkheid’ in elk geval niet tot protest? Het uitblijven van dit protest vraagt om een verklaring, omdat de nadruk op ‘eigen verantwoordelijkheid’ door president Ronald Reagan in de VS juist aanleiding gaf tot de oprichting van de zogeheten AIDS Coalition to Unleash Power (ACT UP), een internationale protestbeweging die in veel westerse landen een behoorlijke voet aan de grond heeft gekregen, maar in Nederland nooit noemenswaardige invloed kreeg.

Goede betrekkingen tussen de homogemeenschap en de christendemocraten waren – zoals ik al liet zien – bij aanvang van de jaren tachtig bovendien allerminst vanzelfsprekend. De boodschap van Dick Dees dat de overheid individuele verantwoordelijkheid nastreefde om moralisering te voorkomen, vraagt op zijn minst om toelichting, want ís het beroep op individuele verantwoordelijkheid niet een vorm van moraliseren? Wie immers aids oploopt, schoot volgens deze logica tekort in het dragen van eigen verantwoordelijkheid, en droeg hierdoor – zo was de implicatie – schuld.

Het antwoord op de vraag wat de homogemeenschap bij ‘eigen verantwoordelijkheid’ inzake aids te winnen had, houdt naar mijn idee weinig verband met wat het kabinet met ‘de verantwoordelijke samenleving’ voor ogen stond. De homoactivisten die begin jaren tachtig te hoop liepen tegen Gijsen – veel aidsactivisten van het eerste uur namen deel aan de eerste Roze Zaterdagen – zullen vermoedelijk niet veel hebben opgehad met de overgang van een verzorgingsstaat naar een zorgzame samenleving, waarvan maatschappelijk middenveld en ‘het gezin’ de hoekstenen vormden. ‘Eigen verantwoordelijkheid’ hing voor hen samen met het voeren van regie over de aidsaanpak, zodat niet politici en heteroseksuele artsen, maar zijzelf het heft in handen hadden. ‘Moralistische aanvallen op de door homoseksuelen bevochten seksuele vrijheid kan het beste te lijf worden gegaan met het bijbrengen van verantwoordelijkheidsbesef aan homo’s’, verklaarde één van de leden van de Stuurgroep Aids in juli 1983 aan een journalist van Trouw, kort nadat deze stuurgroep was opgericht.

Kaarsen voor overleden aids patiënt

Kaarsen voor overleden Aids-patient tijdens AIDS Memorial Day in Amsterdam, 30 mei 1987. Foto: Bart Molendijk, Nationaal Archief / Anefo

Moraliserend monsterverbond

De wens om als homogemeenschap controle te houden was begrijpelijk: homoseksualiteit stond in de jaren tachtig nog altijd in de gezaghebbende Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) van psychiaters en psychologen en was nog maar recent verwijderd uit hét Nederlandse handboek op dit terrein, P.C. Kuipers Neurosenleer. Homogroepen Gezondheidszorg waren eind jaren zeventig aan verschillende universiteiten verrezen om de emancipatie van arts en patiënt te bevorderen in een medische wereld die – mede onder invloed van de DSM en het werk van Kuiper – niet vanzelfsprekend open stonden voor homoseksualiteit. De angst dat aids de homo-emancipatie zou doorkruisen is achteraf bezien wellicht ongegrond gebleken, maar was in de context van de vroege jaren tachtig zeer voorstelbaar.

De vraag is echter of met deze nadruk op ‘eigen verantwoordelijkheid’, binnen een politieke context waarin die eigen verantwoordelijkheid vooral in de context van een door het CDA bepleite zorgzame samenleving werd begrepen, niet tevens de grondslag heeft geleverd voor een nieuwe, impliciete moraal waarin uit de combinatie van aids en ‘eigen verantwoordelijkheid’ gemakkelijk één conclusie getrokken kon worden: eigen schuld. Het is dus maar de vraag of de relatief harmonieuze samenwerking rondom aids, of – beter gezegd – het monsterverbond tussen homoactivisten en christendemocraten tot een niet-moraliserende aanpak heeft geleid.