‘Het doel, dat wij voor ogen hebben, is een bepaald ideaal. Welnu, dat dragen wij uit in dit parlement. Daarvoor gebruiken wij parlementaire mogelijkheden. Ik neem aan, dat de heer Den Uyl de partijen SGP, RPF en GPV het recht niet wil ontzeggen om voor hun idealen in dit parlement uit te komen.’[1]

Joop den Uyl bij de Algemene Beschouwingen, 9 oktober 1984. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo
Aldus een verontwaardigde Meindert Leerling tijdens de algemene beschouwingen op 9 oktober 1984. De fractievoorzitter van de RPF (2 zetels in de Kamer) had zich er, evenals zijn collega’s van de SGP (3 zetels), het GPV (1 zetel), ernstig aan gestoord dat Joop den Uyl de drie orthodox-protestantse partijen ‘a-democratisch’ had genoemd.
De PvdA-leider deed de aanval tijdens een toespraak in augustus op een bijeenkomst ter herdenking van de oprichting van de SDAP, 90 jaar eerder. Zijn kritiek vond plaats tegen de achtergrond van een mogelijke toekomstige samenwerking tussen het CDA en de drie kleine partijen. De opiniepeilingen zagen er niet goed uit voor het kabinet-Lubbers I dat inmiddels twee jaar aan de macht was. Bij de PvdA bestond de angst dat na verkiezingen een minderheidskabinet CDA-VVD verder zou regeren met gedoogsteun van SGP, GPV en RPF, de zogeheten ‘Staphorst-variant’. In juni 1984 had het kabinet-Lubbers namelijk een kruisrakettendebat slechts overleefd dankzij de steun van klein rechts (zeven CDA’ers stemden met oppositie mee). ‘Het gemak’, aldus Den Uyl in augustus, ‘waarmee het CDA in voorkomende gevallen, waarvan de kernwapenbeslissing het meest sprekende voorbeeld vormt, aanleunt tegen de steun van klein rechts is in hoge mate verontrustend.’ De programma’s van SGP, GPV en RPF vertoonden zijns inziens ‘wezenlijk a-democratische trekken’. Als voorbeeld noemde hij ‘hun begrip voor het apartheidsstelsel in Zuid-Afrika’: ‘De politieke vertaling van theocratisch denken in deze partijen vormt een latente bedreiging van wezenlijke vrijheden’.[2]
De uitspraken veroorzaakten beroering bij de drie partijen. Dat leidde twee maanden later tot een kort debat tijdens de algemene beschouwingen van 1984. Evenals Leerling hield Henk van Rossum (SGP) een vurig pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting. Gert Schutte (GPV) bracht Den Uyls betoog in verband met de Kamerverkiezingen van 1986. Hij noemde het begrijpelijk dat ‘de grootste partij in dit huis’ daarop probeerde vooruit te lopen. Het was echter ‘een politieke misser’ om een partij als het GPV als ‘a-democratisch’ te bestempelen: ‘Geen partij die ernst maakt met haar politieke uitgangspunten zal deze loslaten om de enkele reden dat de meerderheid van het volk ze niet deelt.’[3]
Na Schutte’s uitweiding stapte Den Uyl in de discussie. Hij legde uit dat hij de term ‘a-democratisch’ had gebruikt omdat de drie kleine partijen zich beriepen ‘op een niet nader verifieerbare wijze, op bronnen, die u leiden tot een stellingname die ik als discriminerend, als onaanvaardbaar uit democratisch oogpunt ervaar’. In antwoord op Leerling zei hij:
‘Ik heb er uiteraard geen enkel bezwaar tegen dat u dit parlement als voertuig gebruikt voor het verwezenlijken van uw doelstelling. Dat is uw goede recht. Aan de orde is echter de vraag, of de wijze waarop u uw politiek formuleert en fundeert en de inhoud daarvan niet elementen bevatten, die zó wezenlijk in strijd zijn met aspecten, waaraan partijen in dit parlement èn regering zich gebonden hebben en die te maken hebben met het afwijzen van discriminatie, dat partijen die zich gebonden achten aan non-discriminatoire beginselen naar mijn oordeel op die punten onmogelijk tot enige samenwerking met u kunnen komen.’
Hij wees op het program van de SGP waarin prostitutie, pornografie en homoseksualiteit ‘op dezelfde lijn’ gezet werden. Den Uyl dreigde ‘elke band’ te zullen doorsnijden met degene die in zee zou gaan met partijen die zulke standpunten koesterden.[4]
Daarmee kwam Den Uyl ook in botsing met het CDA. Fractieleider Bert de Vries stelde dat de ideologie van de PvdA net zo min aan objectieve criteria kon worden getoetst als de opvattingen van christelijke partijen: ‘Is dan niet de enige essentiële vraag of men in dit huis de spelregels van de parlementaire democratie respecteert? Ik weiger om geplaatst te worden in de hoek van a-democratische partijen. Het CDA respecteert de spelregels van de parlementaire democratie. Voor zover ik weet, worden die spelregels ook gerespecteerd door het GPV, de SGP en de RPF.’ Den Uyl riposteerde dat de Vries ‘hutspot’ maakte van zijn argumenten, want het ging hem ‘om iets heel anders’. Waarna De Vries herhaalde dat Den Uyl het begrip ‘a-democratisch’ niet had moeten gebruiken, wanneer hij meende dat de partijen zich schuldig maakten aan discriminatie. Den Uyl: ‘Het gaat om een heel andere zaak. Het gaat om de politieke inhoud.’[5]
Later distantieerde ook Ruud Lubbers zich van Den Uyls kritiek. De premier waarschuwde dat de suggestie van een gebrek aan democratisch gehalte ‘snel bedervend’ kon werken in de parlementaire gedachtewisseling: ‘Ik hoop dat het een vergissing was. Mij overkomen wel eens vergissingen en dat zeg ik dan meestal.’ Den Uyl had kennelijk geen zin meer om de discussie voort te zetten. Nauwelijks had Lubbers zijn zin afgemaakt, of hij interrumpeerde: ‘Ik heb vijf uur lang naar de minister-president geluisterd, maar het verbaast mij dat ik hem het woord “Ziektewet” niet heb horen gebruiken.’[6] En daarmee gingen de algemene beschouwingen verder over andere zaken.
De meeste dagbladen volstonden met een korte samenvatting van het interruptiedebat. Op de inhoudelijke aspecten gingen ze opmerkelijk genoeg niet in. Zo zij al commentaar gaven, bleef dat beperkt tot Den Uyls moeizame verhouding met het CDA, de partij die weliswaar het doelwit was van de aanval maar die tegelijkertijd onmisbaar was als de PvdA ooit weer zou willen regeren. ‘Onder zijn gebrom klinkt Den Uyls liefde voor het CDA door’, aldus parlementair redacteur Willem Breedveld in Trouw.[7]