‘Ik denk dat aangeschoten wild zich kan herstellen als de kogel niet dodelijk is.’[1]
Gijs van Aardenne was in het kabinet-Lubbers I minister van Economische Zaken en vicepremier namens de VVD. In het eerste kabinet-Van Agt leidde Van Aardenne ook al dit departement, waarbij hij als bewindspersoon betrokken was bij het RSV-debacle. Dit dossier achtervolgde hem in zijn tweede termijn, toen er in 1983 een parlementaire enquête werd ingesteld. De commissie velde een streng oordeel over Van Aardenne, omdat zij het hem zwaar aanrekende dat hij de Kamer onvoldoende had geïnformeerd over de hoogte van de steunverlening en de afwikkeling van verliezen van het scheepsbouwconcern. De Kamer schaarde zich niet achter een motie van wantrouwen. Een gedwongen vertrek van de vicepremier had hoogstwaarschijnlijk tot de val van het kabinet geleid. Deze affaire wierp een schaduw over zijn tweede ambtstermijn. Het Kamerlid Henk van Rossum (SGP) omschreef hem als ‘aangeschoten wild’, een etiket dat sterk aan hem bleef kleven.

Vicepremier en minister van Economische Zaken Gijs van Aardenne debatteert in de Tweede Kamer over het rapport van de RSV enquêtecommissie, 28 februari 1985. Foto: Rob Bogaerts, Nationaal Archief / Anefo
Toch was Van Aardenne een belangrijke kracht achter het bezuinigingsbeleid van het eerste kabinet-Lubbers. In de informatiefase was hij een van de architecten van het saneringsbeleid. Hij nam de leiding over een van de twee werkgroepen die door informateur Scholten in het leven waren geroepen om het nieuwe regeerakkoord te schrijven en richtte zich op het financieel en sociaaleconomisch beleid. Aangezien het korten van de overheidsuitgaven en het terugdringen van de werkloosheid belangrijke speerpunten van het kabinet werden, nam Van Aardenne als minister van Economische Zaken in tijden van crisis een belangrijke post binnen het kabinet in.
De samenwerking met Lubbers verliep in deze periode ogenschijnlijk goed. Als plaatsvervanger hoefde Van Aardenne nauwelijks op te treden: Lubbers was er altijd. Elke woensdagmiddag kwamen de premier en de vicepremier samen en bespraken dan politieke knelpunten, waarbij Van Aardenne aangaf welke positie de VVD innam. Zelf zei hij over die wekelijkse ontmoeting: ‘Dan zaten we aan het lage tafeltje en dan namen we onze lijstjes met punten door. Eerst namen we altijd een borrel en daarna kreeg je dan een boterhammetje voor je neus.’[1] Als vicepremier vertegenwoordigde Van Aardenne de VVD binnenskamers in het kabinet, maar naar buiten toe poogde hij vooral eenheid van het beleid uit te stralen.[2] In deze rol heeft Van Aardenne ervoor gezorgd dat het VVD-smaldeel in het kabinet werd betrokken bij de kruisrakettendiscussie. De gesprekken hierover verliepen aanvankelijk tussen De Ruiter (minister van Defensie), Lubbers en Van den Broek (minister van Buitenlandse Zaken), allen CDA-bewindspersonen. Deze driehoek werd een vijfhoek, bijgenaamd ‘Pentagijs’, waaraan naast Van Aardenne ook minister van Justitie Frits Korthals Altes deelnam.
Van Aardenne zat weliswaar de rit uit als minister en vicepremier, maar zijn reputatie was als gevolg van de RSV-zaak zo beschadigd geraakt dat zijn partij hem niet langer als een aanwinst beschouwde.[3] In 1986 keerde hij niet terug op de kieslijst voor de Kamerverkiezingen.