‘Het is allereerst onze taak de rust en een eensgezind VVD-profiel te herstellen’[1]

Rudolf de Korte was in juni 1986 op het toppunt van zijn populariteit binnen de VVD toen hem tijdens een fractievergadering werd gevraagd om Ed Nijpels op te volgen als partijleider.[2] Tot ieders verbazing sloeg hij dit af omdat hij liever door wilde gaan als minister. Kort daarvoor, in maart, was hij de overleden minister Rietkerk opgevolgd als minister van Binnenlandse Zaken. Hij vroeg daarom de steun van de fractie om vicepremier te worden in het aankomende kabinet-Lubbers II. Deze steun kreeg hij na lang debat. Door het electorale verlies van de VVD ging Binnenlandse Zaken bij de formatieonderhandelingen naar het CDA en daarom volgde De Korte Gijs van Aardenne op als vicepremier én als minister van Economische Zaken. Op dit ministerie had hij naar eigen zeggen beter overzicht op het algemene beleid.[3]

Vicepremier en minister van Economische Zaken Rudolf de Korte in de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de electriciteitswet, 9 november 1988. Foto: Rob Bogaerts, Nationaal Archief / Anefo

Net als zijn voorganger stemden De Korte en minister-president Lubbers op woensdagmiddag coalitiezaken af. In december 1986 trok De Korte de aandacht toen hij nog voordat het kabinet daarover een besluit had genomen publiekelijk bezwaar te maken tegen een mogelijk staatsbezoek van koningin Beatrix aan de Japanse keizer Hirohito.[4] ‘Voor talrijke Nederlanders die in Indonesië of elders in het Verre Oosten   tijdens de Tweede Wereldoorlog ernstig hebben geleden zou dit nogal kwetsend zijn’, aldus De Korte tijdens een VVD-bijeenkomst in Woudenberg. In het daarop volgende Kamerdebat werd De Korte door Lubbers op zijn plaats gezet en noemde hij zijn voorbarige uitspraken behorend tot de categorie ‘eens, maar niet weer’. De machtspositie en de band met Lubbers van de vicepremier was hierdoor blijvend verzwakt, wat leidde tot boosheid en wantrouwen in de VVD-fractie. Samen met andere kwesties zou dit groeiende wantrouwen leiden tot de uiteindelijke val van Lubbers II.

Als minister van Economische Zaken was één van de belangrijkste dossiers van De Korte de afschaffing van de Wet op de Investeringsrekening (WIR). Deze wet maakte het mogelijk voor bedrijven om bepaalde investeringen fiscaal aftrekbaar te maken. Het bleek echter dat er veel oneigenlijk gebruik werd gemaakt van deze wet, wat reden was om hem af te schaffen. Ongelukkigerwijs voor De Korte lekte de plotselinge stopzetting uit, waardoor bedrijven in de laatste dagen van de wet nog voor honderden miljoenen subsidieaanvraag zouden doen. Deze blunder leidde tot een gat in de begroting van één miljard gulden dat het ministerie van Economische Zaken nog een tijd zou bezighouden. Na de verkiezingen van 1989 en de degradatie van de VVD tot de oppositiebanken zou Rudolf de Korte terugkeren als Tweede Kamerlid.

[1] Rudolf de Korte: hoge prioriteit voor technologiebeleid’, NRC Handelsblad, 2 aug. 1986.

[2] André Vermeulen, De liberale opmars. 65 jaar VVD in de Tweede Kamer (Amsterdam 2013) p. 185-187.

[3] NRC Handelsblad, 2 aug. 1986.

[4] Vermeulen, De liberale opmars, p. 192-194.