‘Wat mij steekt is dat de toename van het gebruik van de WAO met groot gemak misbruikt wordt om beperking van rechten te bepleiten van bonafide mensen die volledig op de WAO zijn aangewezen en geen enkele uitweg hebben.’[1]
Op 7 november 1989 begon Wim Kok aan zijn nieuwe functie als vicepremier en minister van Financiën in het kabinet-Lubbers III. De keus voor Financiën verraste vriend en vijand, maar voor Kok was dit de uitgelezen positie om als schatkistbewaarder een machtige positie in handen te hebben als tegenwicht van de invloedrijke premier Lubbers. Ook kon hij vanuit deze positie bewijzen dat de PvdA als linkse regeringspartij de verantwoordelijkheid aankon indien nodig de hand op de knip te houden, waar tegenstanders beweerden dat de partij vooral goed was in geld uitgeven.[2]

Wim Kok, 6 september 1989. Foto: Rob C. Croes, Nationaal Archief / Anefo
Voormalig FNV-voorzitter Kok gold als gezaghebbend binnen zijn partij en genoot mede daarom het respect van Lubbers. De premier en vicepremier trokken gezamenlijk op. Tijdens de broodjeslunch op woensdag stemden zij coalitiezaken af, dikwijls in aanwezigheid van fractievoorzitters Elco Brinkman (CDA) en Thijs Wöltgens (PvdA). In dit ‘cockpitoverleg’ werd de weg geëffend voor besluiten in de ministerraad. Bij aanvang van het kabinet waren de economische vooruitzichten zonnig. Na zeven magere jaren zou er eindelijk ruimte zijn voor nieuw beleid, zoals het programma ‘sociale vernieuwing’, dat gericht was op het verbeteren van de positie van zwakkere groepen in de samenleving.
De economie groeide in de vroege jaren negentig echter minder hard dan was voorspeld. Na de val van de Berlijnse muur raakte de Duitse economie in een recessie, waar ook Nederland de gevolgen van ondervond. Kok zag zich gedwongen om bezuinigingsmaatregelen te nemen die bij zijn achterban slecht vielen. Ook rechts begon zich te verzetten tegen het beleid van Kok toen hij de accijns op benzine en diesel wilde verhogen. Deze ‘aanslag op autorijdend Nederland’ werd door bracheorganisaties BOVAG en ANWB fel bekritiseerd met protesten tegen dit ‘kwartje van Kok’.
Het ongenoegen binnen de PvdA kwam op een hoogtepunt tijdens de zogenaamde ‘WAO-crisis’. De Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) stond in de vroege jaren negentig onder enorme druk omdat het bedrijfsleven overtollige werknemers veelvuldig liet afvloeien via deze wet. Bij deze kwestie worstelde Kok het meest met zijn dubbelrol. Als minister zag hij de noodzaak om de uitkeringsduur van de WAO in te perken, terwijl hij als PvdA-leider wist dat een dergelijk besluit binnen zijn partij heel slecht zou vallen. Zijn leiderschap en het voortbestaan van het kabinet stonden op het spel. Na meer dan een jaar crisissfeer zou de PvdA akkoord gaan met een compromis, waarbij alleen voor nieuwe gevallen de uitkeringsduur van de WAO werd gekort. Ondanks sterke weerstand kreeg Kok in september 1991 op een partijcongres in Nijmegen het expliciet gevraagde vertrouwen. Zijn positie en die van het kabinet waren gered. De ‘grote coalitie’ van CDA en PvdA kampte ook daarna nog met spanningen, maar Lubbers III zou zijn regeertermijn uitzitten.