Asbestcement is een product gemaakt uit een mengsel van asbest, cement en water, dat opdroogt tot een ideaal bouw- en isolatiemateriaal: hard, slecht ontvlambaar en bestand tegen roest. In de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog werd het dan ook volop benut om daken van te maken en schepen te isoleren maar ook voor fornuizen, kookplaatjes en broodroosters. Restpartijen werden gebruikt door agrariërs en dorpelingen om modderige wegen of tuinpaden te verharden. Zo verspreidde het asbest zich razendsnel door Nederland. Maar er zat een keerzijde aan het ogenschijnlijk ideale materiaal. Al in 1969 bleek asbest kankerverwekkend te zijn. Pas 24 jaar later, in 1993, werd het materiaal verboden. Waarom bleef de toepassing van dit giftige materiaal zo lang toegestaan? Hoe wist de lobby vanuit de industrie ontheffing op ontheffing te krijgen en wie maakten zich door de jaren heen hard voor een verbod?
Asbest: de stille sluipmoordenaar. Fragment uit Andere Tijden: Asbest: sluipmoordenaar in Goor (24 november 2012).
Van stoflongen tot kanker
Onderzoeken die wezen op een verband tussen het werken met asbest en het krijgen van asbestose (‘stoflongen’) dateren al van voor 1940. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, in 1949, werd asbestose dan ook erkend als beroepsziekte. De eventuele schadevergoeding die een zieke werknemer kon krijgen was gering vooral een doekje voor het bloeden en er was geen zicht op herstel. Het eerste echt grote onderzoek volgde in 1969. Dr. Stumphius, een bedrijfsarts van een scheepsbouwbedrijf in Vlissingen, bewees in zijn proefschrift dat asbest leidt tot mesothelioom. Deze kanker van het longvlies was een verschrikkelijke ziekte zonder kans op genezing. Het complicerende was dat de ziekte zich pas lange tijd na blootstelling aan asbest manifesteerde, zo’n 30 tot 40 jaar. De bevindingen werden opgepikt in de landelijke kranten.[1]

PvdA-Kamerlid Nel Barendregt, tussen Joop Den Uyl en minister Boersma. Foto: Rob Mieremet, Nationaal Archief / Anefo
Politiek afwachtend
De eerste politicus die van zich liet horen over dit baanbrekende onderzoek was PvdA-Tweede Kamerlid Nel Barendregt. Voor het populaire asbest was in veel gevallen geen goed of goedkoop alternatief. Barendregt vroeg in mei 1970 dan ook of er onderzoek gedaan werd naar vervangende grondstoffen voor asbest. Het antwoord van minister Roolvink (Sociale Zaken en Volksgezondheid, ARP) was exemplarisch voor de afwachtende houding van de overheid: ‘een oplossing kan slechts verkregen worden indien het bedrijfsleven i.c. werkgevers en werknemers hieraan medewerken’.[2] Door het uitblijven van forse restricties vanuit de overheid ontbrak bij de industrie volledig de prikkel op zoek te gaan naar alternatieven. Daarbij ontkende de industrie de schadelijke effecten. Zo schreef de Vereeniging van Handelaren in bouwmaterialen in 1977: ‘Voor zover ons bekend zijn er geen onderzoekingen geweest, waaruit duidelijk blijkt, dat het bewerken van asbestcementprodukten asbestose of mesothelioom veroorzaakt.’[3]
Verbod omzeild
Zes jaar later, in 1976, werden opnieuw Kamervragen gesteld over de schadelijke effecten van asbest. Dat jaar gaf minister Boersma (Sociale Zaken, ARP) aan dat er nog in 1976 een ontwerp-besluit zou komen waarin het gebruik van blauw asbest (de gevaarlijkste vorm) in principe verboden zou worden.[4] Dat Asbestbesluit volgde uiteindelijk 1 juli 1977 en werd op 1 juli 1978 gedeeltelijk ingevoerd. Direct daarop werden door verschillende bedrijven echter succesvol ontheffingen aangevraagd, waaronder door grootverbruiker Eternit uit Goor. Minister Boersma had Eternit zelf gewezen op de mogelijkheid tot ontheffing. De aanvragen voor de ontheffingen werden beoordeeld door een asbestcommissie waarin vertegenwoordigers zaten van werknemers, werkgevers en deskundigen.

de Volkskrant, 29 juni 1978
Eternit-directeur Goedman was een van hen en mocht, ondanks protesten van de vakbonden, zijn eigen vlees keuren. Logischerwijs volgde een ontheffing voor Eternit voor het gebruik van het gevaarlijke blauwe asbest, met als voornaamste argumenten dat er geen alternatief voorhanden was voor de aanleg van rioleringen bij huizen en dat een verbod de werkgelegenheid schade zou toebrengen. Zo bleven woningbouw, werkgelegenheid en economie prevaleren boven de volksgezondheid.[5]

Strenge veiligheidsmaatregelen tijdens het verwijderen van asbest uit oude treinstellen in de Hoofd-Werkplaats van NS, 1 juli 1989. Foto: Poppe de Boer, Fotoburo de Boer
Kritiek zwelt langzaam aan
In de jaren tachtig nam de aandacht voor de gevaren van asbest langzaam toe. Zo werd in 1983 een nieuw asbestbesluit van kracht. Waar het besluit uit 1977 zich vooral richtte op de arbeidsomstandigheden in asbest verwerkende bedrijven en een verbod op blauwe asbest, ging dit besluit ook over het verwerken van andere vormen van asbest in producten. Zo mocht asbest alleen nog gebruikt worden als deze in vaste vorm verwerkt werd. Daarnaast moesten alle asbesthoudende producten voortaan worden voorzien van een waarschuwing voor de consument.[6] Ondertussen vroegen met name de vakbonden in de jaren tachtig aandacht voor werkomstandigheden. Tegengeluiden waren er ook. Zo vond Tweede Kamerlid Reinier Braams (VVD) dat de maatschappij te veel angst werd aangejaagd over de schadelijke gevolgen van asbest. Hij maakte een scherp onderscheid tussen blauwe en witte asbest. Waar de eerste zeer schadelijk was en in principe verboden sinds het asbestbesluit van 1977, was witte asbest daarentegen volgens Braams in vaste vorm niet zo schadelijk.[7] Aan de andere kant luidden met name de PvdA en in een later stadium het CDA en de SP vaak de alarmbel.
In 1987 vroeg Tweede Kamerlid Ria Oomen-Ruijten (CDA) aan minister Nijpels (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, VVD) waarom het toch maar niet lukte het gebruik van asbest terug te dringen waarop de bewindsman antwoordde dat, ondanks de aanwezigheid van goede alternatieven ‘de consument maar om asbest blijft vragen’. Ook zou een algeheel asbestverbod strijdig zijn met de regel van vrij verkeer van goederen in de EG. Wanneer Nederland eenzijdig een asbestverbod uitvaardigde, zou de Europese Commissie ingrijpen.[8] De SP, die eind jaren tachtig nog niet in de Tweede Kamer vertegenwoordigd was, zette zich buiten de Kamer op diverse manieren in om het asbestverbod te versnellen. Zo stapte het MilieuAlarmteam van de SP samen met drie weduwen van (ex-) Eternit-werknemers naar de kantonrechter. De dood van de mannen was volgens hen het gevolg van het werken met asbest bij Eternit. De SP wist daarnaast op lokaal niveau enkele asbestverboden te realiseren, zoals in Culemborg. Daarvoor moest wel eerst de plaatselijke vuurwerkfabriek met daarin verwerkt asbest afbranden.
Lobby
De traagheid in de totstandkoming van verboden werd gedeeltelijk veroorzaakt door de stevige lobby die de industrie voerde, met name door Eternit. ‘Eternit sliep op het ministerie, die waren er altijd’ aldus letselschadeadvocaat asbestslachtoffers Bob Ruers.[9] Oud-politici werden op hun beurt gevraagd voor toezichtsfuncties bij het Overijsselse bedrijf. Zo maakte oud-staatssecretaris Grapperhaus (Financiën, KVP/CDA) van 1977 tot 1999 deel uit van de Raad van Commissarissen van Eternit en oud-minister Van der Stee (Financiën, KVP/CDA) van 1983 tot 1989.
Culminatie in de Cannerberg
Uiteindelijk bracht de affaire rond de asbestdumping in de Maastrichtse Cannerberg de noodzakelijke versnelling in de aanpak van asbest. In een NAVO-bunker in de Cannerberg was 13.000 m3 zeer gevaarlijk afval, waaronder asbest, gedumpt door Defensie. Een enorme hoeveelheid, of zoals persofficier van Justitie J. Nabben het beeldend verwoordde ‘een voetbalveld tot drie meter hoog opgestapeld’.[10] Het was daar tussen 1954 en 1988 gebruikt en later gedumpt door militairen die tot een jaar daarvoor werkten in het ondergrondse NAVO-hoofdkwartier. Het asbest was in de ondergrondse bunker in werkelijk iedere ruimte gebruikt. Zo waren ventilatiekanalen met een drie centimeter dikke laag asbest bespoten om brandgevaar tegen te gaan.[11] Dit zorgde dan ook voor beroering bij de honderden mensen die daar jarenlang ondergronds hadden gewerkt. Zij hadden er al enkele jaren eerder tevergeefs aandacht voor gevraagd.[12] Het leidde uiteindelijk in september 1992 tot een vervroegde sluiting van de bunker omdat het gangenstelsel volgens het Limburgs Dagblad vol zat met ‘mogelijk kankerverwekkende asbest’.[13]
Het besluit tot wijziging van het Asbestbesluit werd uiteindelijk op 1 februari 1993 gepubliceerd in het Staatsblad. Het verbod ging in op 1 juli 1993.
